Wanneer wij zeggen dat iets ‘waar’ is, denken we meestal aan een uitspraak die overeenkomt met de feiten. Een gebeurtenis heeft wel of niet plaatsgevonden; een bewering is juist of onjuist. Maar wie de Hebreeuwse Bijbel leest, merkt dat het woord waarheid vaak in een ander verband functioneert. Het gaat dan eerder om trouw en betrouwbaarheid. In deze les volgen we de volgende beweging: van het Hebreeuwse woord emet naar een opvatting waarin waarheid niet los gezien kan worden van God.
1. De vraag die wij stellen, en die de Bijbel nauwelijks stelt
Een belangrijke waarschuwing vooraf: We zoeken in de Bijbel naar ‘waarheid’, maar vullen dat begrip onbewust met onze eigen verwachtingen. In de westerse filosofie kunnen we afzonderlijk nadenken over waarheid, rechtvaardigheid, tijd en werkelijkheid. We stellen de vraag wat waarheid op zichzelf is. We onderzoeken of een uitspraak overeenkomt met de werkelijkheid, hoe we dat kunnen vaststellen en of iets tegelijk waar en onwaar kan zijn. De Bijbel biedt geen uitgewerkte filosofische waarheidstheorie op de manier waarop latere denkers dat doen.
Dat betekent niet dat de Bijbelschrijvers geen vragen stellen of niet nadenken. Ze spreken uitvoerig over goed en kwaad, betrouwbare getuigen, gerechtigheid, trouw en misleiding. Maar hun woorden staan doorgaans in concrete verhoudingen: tussen God en zijn volk, tussen mensen onderling of tussen beloften en gebeurtenissen. Dit verschil blijkt uit de gedachte dat waarheid geen afzonderlijk 'iets' is dat men onder een glazen stolp kan plaatsen om het zo van alle kanten te kunnen bekijken. Waarheid krijgt in de Bijbel betekenis binnen een levende verhouding van mens tot mens en vooral van God tot mens.
2. אֱמֶת — emet: wat vaststaat en betrouwbaar is
Het belangrijkste Hebreeuwse woord in deze bespreking is emet. Het hoort bij de woordfamilie rond de medeklinkers alef, mem en nun, waarmee ook woorden als emunah en amen samenhangen. In deze familie komen begrippen terug als vertrouwen, trouw, standvastigheid en betrouwbaarheid. Daardoor betekent waarheid in veel Bijbelse passages niet eenvoudigweg dat iemand een juiste mededeling doet. Het gaat erom dat een persoon of een belofte standhoudt.
Denk aan twee mensen die iets afspreken. De eerste zegt dat hij morgen terugkomt om te helpen, maar laat nooit meer iets van zich horen. De tweede belooft hetzelfde en verschijnt ook werkelijk. Het onderscheid gaat verder dan de feitelijke juistheid van de zin ‘ik kom morgen’. Het gaat over iemands karakter en over de vraag of woorden overeenstemmen met daden. Juist deze samenhang tussen spreken, handelen en trouw vormt de achtergrond van de betekenis die we aan emet toekennen.
3. De God van het verbond als voorbeeld
Een sprekend voorbeeld is Deuteronomium 7:9, waar Israël wordt opgeroepen te erkennen dat JHWH God is, de getrouwe God die zijn verbond gestand doet. God wordt hier niet ‘waar’ genoemd omdat een buiten Hem bestaande maatstaf zijn eigenschappen controleert. Hij blijkt betrouwbaar door zijn handelen tegenover de mensen met wie Hij een verbond is aangegaan. De belofte aan de aartsvaders en de voortgaande geschiedenis van Israël worden gelezen als tekenen van die trouw.
Dit raakt aan Gods identiteit. Hij is niet de ene dag deze God en de volgende dag een heel andere. Het volk mag, binnen de beschreven geloofslogica, verwachten dat Gods geboden, waarschuwingen en beloften niet zomaar hun geldigheid verliezen. Gods daden stemmen overeen met zijn wezen. De woorden ‘standvastigheid’ en ‘consistentie’ zijn daarom cruciaal. Wie God leert kennen, leert volgens deze benadering iets kennen van de waarheid zelf.
Daarbij speelt ook de naam van God in het verhaal van de roeping van Mozes een rol. Ook het spreken over Gods naam in Exodus 3 wordt hier verbonden met een blijvende aanwezigheid. De formulering ‘Ik ben die Ik ben’ kan worden gelezen als uitdrukking van Gods bestendigheid. Dat is een theologische duiding van de passage en niet de enige mogelijke uitleg van de Hebreeuwse woorden, maar zij past bij de redenering: God is degene op wie men door de tijd heen kan rekenen.
4. Een werkelijkheid die niet in stukken wordt geknipt
Om het verschil tussen modern en Bijbels denken zichtbaar te maken, helpt een sterk beeld: een spiegel valt op de grond en breekt in talloze stukjes. Elk stukje weerspiegelt nog iets van de omgeving, maar geen enkel stukje toont het geheel. Zo zijn wij gewend geraakt de werkelijkheid op te delen in aparte vragen en disciplines. We bespreken God, de natuur, tijd, waarheid en moraal alsof het afzonderlijke domeinen zijn. Deze manier van onderzoeken heeft onze kennis enorm vergroot, maar verandert ook de wijze waarop wij over God denken.
De benadering van de Bijbelse geloofstaal laat zich daar niet eenvoudig mee vergelijken. Volgens de Bijbel is de werkelijkheid uiteindelijk afhankelijk van God; zij bestaat niet als een volledig zelfstandige sfeer met daartegenover nog eens God. Als men waarheid tot een onafhankelijke grootheid maakt, ontstaat de merkwaardige gedachte dat er naast God een norm zou bestaan waaraan zelfs God gemeten zou kunnen worden. Buiten God bestaat echter geen op zichzelf staande waarheid.
5. Wat gebeurt er met God in ons moderne wereldbeeld?
Dit beeld staat in contrast met onze wetenschappelijke kijk op het heelal. Wij kennen een wereld van sterren, planeten, natuurwetten en astronomische afstanden. Naarmate we meer begrijpen van de natuur, hebben we God steeds minder nodig als directe verklaring voor afzonderlijke gebeurtenissen. In het beeld van God als de horlogemaker zet de Schepper hooguit het mechanisme (het universum) in beweging, waarna het horloge vanzelf loopt zonder ingrijpen van de Maker. We kunnen dan de vraag stellen waar God nog ‘is’ binnen deze enorme werkelijkheid.
Zodra God tegenover de wereld wordt geplaatst als een 'object' naast alle andere objecten, wordt Hij als het ware opnieuw onder een glazen stolp geplaatst. We behandelen Hem als iets waarvan we kunnen onderzoeken waar het zich bevindt en welke functie het vervult. Daartegenover staat de gedachte dat de verhouding tussen God en de werkelijkheid in de Bijbelse verbeelding fundamenteler is. Niet een plaats voor God in het universum is beslissend, maar de gedachte dat heel de werkelijkheid uit Hem voortkomt en van Hem afhankelijk is.
6. De wisselvalligheid van mensen en de standvastigheid van God
De verhalen over bijvoorbeeld de uittocht en de reis van het volk door de woestijn laten zien hoe snel mensen van houding kunnen veranderen. Het volk gaat achter Mozes aan, maar verlangt vervolgens terug naar Egypte. Het vertrouwt op Gods leiding en keert zich daarna tegen diezelfde God. Veelzeggend is het contrast tussen de ongrijpbare wolk die Gods nabijheid aanduidt en het gouden kalf dat de mensen zelf kunnen zien en vasthouden. Mensen verlangen naar zekerheid, maar zoeken haar soms in de verkeerde richting.
God fungeert hierbij als het vaste middelpunt tegenover de menselijke onrust. De boeken van de Bijbel beschrijven herhaaldelijk dat ontrouw aan God tot onheil leidt en terugkeer tot Hem tot herstel en zegen. Er ontstaat haast een systeem: op een bepaalde handeling volgt een voorspelbaar gevolg. Die voorstelling is belangrijk om de volgende les te begrijpen, want een waarheid die zo nauw met Gods geboden verbonden is, krijgt ook grenzen: men kan binnen of buiten die waarheid staan.
7. Waarheid als consistentie — en de vragen die blijven
We kunnen deze gedachte samenvatten: wat waarheid is, vertoont consistentie. Dezelfde God staat achter beloften, geboden, oordeel en ontferming. Het ‘ware’ van God wordt niet onderzocht met een onafhankelijke meetlat, maar wordt in het verhaal van zijn trouw gekend. Gods woord komt uit, en daarom kunnen mensen op Hem vertrouwen. Waarheid is zo een relationele en tegelijk ethische werkelijkheid.
Toch laat dit meteen vragen open. Als God betrouwbaar is, betekent dit dan noodzakelijk dat God op iedere situatie precies dezelfde manier reageert? Als mensen een verbond verbreken en terugkeren, verandert er dan iets in Gods houding of alleen in hun verhouding tot Hem? En vooral: als mensen overtuigd zijn dat zij deze ene betrouwbare waarheid kennen, wat betekent dat voor wie haar niet onderschrijft? Die laatste vraag brengt ons bij het probleem van polarisatie.